Concertprogramma

Op 21 januari 2006 gaf het Tegels Symphonie Orkest een eigen concert in de Haandert. Op dit concert zijn een vijftal werken ten gehore gebracht. Een raambiljet van het concert is hier te vinden. Bij elk muziekstuk is een bijbehorend fragment van het concert te beluisteren.

G. Verdi: Ouverture uit de opera Nabucco

G. Verdi Giuseppe Fortunino Francesco Verdi (9 oktober 1813 – 27 januari 1901) was één van de grootste componisten van Italiaanse opera's, waarvan hij er in totaal zesentwintig schreef. Zijn werk was tijdens zijn leven zeer populair en is dat nog steeds. Verdi werd geboren in Le Roncole in het hertogdom Parma, destijds bezet door Napoleon. In 1824 verhuisde hij naar Busseto, waar hij onder Ferdinando Provesi muziek begon te studeren. Verdi is om die reden ook bekend als de zwaan uit Busseto.

De naam Verdi is een acroniem van Vittorio Emanuele Re D'Italia (Victor Emanuel Koning van Italië), zo viel iemand op tijdens de Oostenrijkse bezetting van Milaan, dat overwoog Victor Emanuel II te steunen in zijn pogingen tot hereniging van Italië en dat later ook deed. Partizanen begonnen een campagne om ervoor te zorgen dat deze koning van Sardinië Milaan kon heroveren, een campagne die vanwege de strikte Oostenrijkse censuur bekendstond als "Viva V.E.R.D.I." (lang leve V.E.R.D.I.). De componist was zich bewust van dit gebruik van zijn naam en wordt verondersteld dit te hebben goedgekeurd. Ook zijn werk I Lombardi verwijst naar politieke gebeurtenissen.

Verdi's eerste grote succes was Nabucco uit 1842, in het Scala-theater. Hierin vertolkte de sopraan Giuseppina Strepponi de rol van Abigail. De zangeres werd Verdi's minnares en lang na de dood van zijn eerste vrouw trouwde hij met haar.

Verdi's werk bevatte vaak nauwelijks verholen steunbetuigingen aan het Italiaanse nationalisme. Van het "Koor van de Joodse slaven" uit Nabucco bijvoorbeeld, ook bekend als Va, Pensiero werd en wordt vaak gezegd dat het een goed Italiaans volkslied zou zijn.

Ouverture uit de opera Nabucco

Deze opera gaat over een groepje Joden dat zich schuil houdt in een tempel in Jeruzalem. Zij verschuilen zich voor het leger van koning Nabucco omdat ze Fenena, de dochter van koning Nabucco, hebben ontvoerd. Een Joodse jongen, Ismael, helpt Fenena ontsnappen. Nabucco heeft Fenena nodig om zijn land te regeren terwijl hij oorlog aan het voeren is. Fenena is blij met deze kans en het eerste wat ze doet is het Joodse volk bevrijden. Maar de slechte zus van Fenena, Abigail, is het hier niet mee eens. Met hulp van de hogepriester weet ze de kroon van Fenena af te nemen. Gelukkig komt Nabucco net op tijd terug, zet de priester gevangen en straft Abigail. Eind goed al goed.
[Muziekfragment]

J.S. Bach: Concert voor viool, hobo en strijkers in D-mineur

J.S. Bach Bach werd in Eisenach geboren en kreeg op jonge leeftijd van zijn vader Johann Ambrosius Bach vioolles. Daarnaast kreeg hij orgellessen van de kerkorganist van Eisenach. In 1695 stierven zijn ouders kort na elkaar en de tienjarige Bach werd ondergebracht bij zijn oudere broer Johann Christoph, die in Ohrdruf organist was en hem orgel- en klavecimbelles gaf.

Johann Sebastian kreeg een beurs om in Lüneburg in Noord-Duitsland te studeren. Op zijn 18e vond hij werk in Weimar in het koninklijk orkest en kort daarna werd hij organist in Arnstadt. Vanwege zijn perfectionisme kreeg hij het aan de stok met zijn medemuzikanten en in 1707 vertrok hij naar Mühlhausen om daar organist te worden. Hij trouwde in datzelfde jaar met zijn nicht Maria Barbara Bach. Na een jaar vol conflicten met medemuzikanten vertrok Bach naar Weimar, waar hij negen jaar zou blijven. In deze periode componeerde Bach zijn eerste belangrijke werken, met name orgelwerken en cantates.

In 1717 werd hij kapelmeester aan het hof van prins Leopold in Anhalt-Köthen. In de 6 jaar die hij daar werkte schreef hij stukken voor kamerorkesten en solo-instrumenten. Hij bewerkte muziekboeken om zijn vrouw en kinderen de fijne kneepjes van het orgel en klavecimbel te leren. Deze boeken staan nu bekend als het Wohltemperierte Klavier en de Inventionen. Bachs eerste vrouw, bij wie hij 7 kinderen had, stierf in 1720. Het jaar daarop trouwde hij met de zangeres Anna Magdalena Wilcken, bij wie hij 13 kinderen kreeg. Van de in totaal 20 kinderen die Bach kreeg, zijn er 10 als zuigeling of kind overleden.

In 1723 verhuisde hij naar Leipzig, waar hij 295 cantates schreef. Hiervan zijn er 202 bewaard gebleven. In Leipzig was hij koormeester van de Thomaskerk. Zijn relatie met het stadsbestuur was echter slecht en men zag hem als een wat vreemde, koppige oude man die met verouderde muziek bezig was. Bovendien werd Bach meer gezien als een organist dan als componist. Bach was dan ook niet bepaald de eerste keus van het gemeentebestuur. Uiteindelijk werd Bach pas benoemd nadat de componisten Georg Philipp Telemann en Christoph Graupner voor de eer hadden bedankt. De bekendste werken die hij hier componeerde waren de Matthäus Passion, de Johannes Passion het tweede deel van het Wohltemperierte Klavier (eveneens 24 preludes en fuga's) en de Goldberg Variaties. Bach bleef de rest van zijn leven in Leipzig. In 1749 kreeg hij last van staar en in 1750 stierf hij na een mislukte oogoperatie.

Concert voor viool en hobo in D mineur BWV 1060

Het concert voor viool en hobo in D mineur is een van de meest bekende werken van Bach. Het weet de luisteraar te boeien van het begin tot eind. De twee solerende instrumenten gaan prachtig met elkaar samen in dit werk. Ze stralen als het ware energie uit. Het temperament van deze instrumenten is het hele stuk door te horen, maar komt vooral naar voren in het melancholische en serene Adagio. De solistische medewerking bij dit stuk wordt verzorgd door Maria Kyriakou (viool) en Hanneke Suilen-Hendriks (hobo).
[Muziekfragment]

Maria Kyriakou

Maria Kyriakou

Maria Kyriakou, momenteel concertmeester van het Tegels Symphonie Orkest, won op 17 jarige leeftijd een beurs waarmee ze viool, piano en zang kon gaan studeren aan het Koninklijk Muziek College van Manchester. Haar viooldocenten aan dit instituut waren de professoren Endre Wolf en Alexander Moskowsky (bekend van het Hongaars Kwartet).

Na haar opleiding met succes te hebben voltooid trad Maria toe tot het Hallé Orkest destijds onder leiding van Sir John Barbirolli. Met dit orkest werden veelvuldig concertreizen gemaakt door Europa en door Zuid-Amerika. Maria heeft in die periode ook gespeeld onder de leiding van o.m. Carlo Maria Guilini, Karel Ancerl, Arvis Yansons en Daniel Barenboim. Ook werkte ze met vele bekende solisten zoals Itzhak Perlman, Pinchas Zukerman, Jacqueline de Pré, Paul Tortelier en Yehudi Menuhin.

Na het stichten van een gezin vervolgde Maria haar carrière met musiceren en doceren in Engeland en daarbuiten, waaronder vier jaar in IJsland. Ze speelde kamermuziek en was als freelancer actief bij het Stedelijk Symfonie Orkest van Birmingham, de Nationale Opera van Wales, het BBC Symfonie Orkest van Wales en nog op andere plaatsen.

Maria Kyriakou woont tegenwoordig in Duitsland. Ze doceert en speelt nu in zowel Duitsland als in Nederland.

Hanneke Suilen-Hendriks

Hanneke Suilen-Hendriks

Hanneke Suilen-Hendriks studeerde aan het Conservatorium van Maastricht hoofdvak hobo bij Piet Kingma en Peter Steijvers. Zij behaalde het diploma Uitvoerend Musicus in 1989. Hanneke was vaste remplaçant bij diverse symfonie orkesten, waaronder het Rotterdams Philharmonisch Orkest, Radio Kamer Orkest, Limburgs Symfonie Orkest, Zeeuws Orkest en het Flevolands Kamerorkest.

Zij doceerde hobo bij Stichting Kunstzinnige Vorming te Venlo. Momenteel is ze coördinator cultuureducatie bij Kunstencentrum Venlo. Tevens treedt ze regelmatig op in soloconcerten en diverse kamermuziekbezettingen.

Brahms: Akademische Fest Ouverture (1880)

Johannes Brahms

Brahms werd geboren op 7 mei 1833 in een sloppenwijk van Hamburg als zoon van een freelance-muzikant en een coupeuse. Zijn ouders zagen al snel zijn grote muzikale talenten en hij kreeg op zijn zevende jaar pianoles van Otto Friedrich Cossel. Toen hij tien jaar oud was speelde hij de pianopartij en het pianokwintet opus 16 van Ludwig van Beethoven. Dit optreden werd bijgewoond door een Amerikaanse impresario, die veel geld bood voor een tournee in Amerika van dit wonderkind. Onder druk van zijn pianoleraar, die bang was dat het talent zich door dit plan niet verder zou ontwikkelen, ging de toernee niet door. Johannes kreeg daarop gratis les van Eduard Marxsen, de beste pianoleraar van Hamburg.

In 1860 ondertekende Brahms een manifest tegen de Nieuwduitse muziek, een stroming waarvan onder andere Richard Wagner en Franz Liszt de grote figuren waren. Brahms en zijn medeondertekenaars maakten zich hiermee niet geliefd bij de modernisten. Brahms voelde zich meer thuis in de klassieke traditie van Bach, Mozart, Haydn, Beethoven en Schubert. In 1862 verhuisde hij naar Wenen.

Brahms raakte door zijn successen in goede doen, maar leefde altijd eenvoudig. Hij schonk veel weg aan veelbelovende musici, zoals Dvorak en ondersteunde zijn familie en Clara Schumann. Brahms heeft waarschijnlijk meer dan de helft van zijn werk vernietigd, omdat hij zeer perfectionistisch was. Tijdens zijn leven maakt hij, mede door zijn botte manier van optreden, veel vijanden, maar had ook veel vrienden.

Hij overleed 63 jaar oud op 3 april 1897 aan leverkanker in Wenen. Zijn begrafenis was een grootse gebeurtenis. Op de route naar de begraafplaats waren duizenden mensen aanwezig. De stoet werd begeleid door vlaggendragers en toortsdragers. De kist werd gevolgd door zijn vele vrienden als Dvorak en Alice Barbi. Het gebouw van de Musikverein was behangen met zwarte doeken. Brahms compositie Fahr wohl werd door de Singverein uitgevoerd. Brahms werd vlakbij Beethoven en Schubert begraven. Ook Hamburg, zijn geboortestad, treurde: tijdens de begrafenis hingen daar de vlaggen half stok.

Die Akademische Fest Ouverture

Brahms schreef dit werk in de zomer van 1880 in Bad Ischl in Oostenrijk. Reden voor het schrijven van dit werk was een doctoraat dat Brahms kreeg van de universiteit van Breslau. In eerste instantie bedankte Brahms de universiteit per briefkaart voor het doctoraat. Later besloot hij toch een werk te schrijven ter ere van de universiteit. Negentien maanden later was het 10 minuten durende werk klaar. Om het nieuwe jaar goed te starten voerde Brahms het werk zelf uit.

Met dit werk brak Brahms als het ware met zijn oude vertrouwde werk. Het werk is een van de meest uitgebreide composities van Brahms op het gebied van instrumentatie. Zijn oudere werk is wat beperkter in de instrumentatie. Verder week Brahms af van de Sonata-stijl. Hij baseerde dit werk op een aantal drinkliederen die vaak onder studenten gezongen werd. In volgorde komen aan bod: What comes therefrom on high, We have build a stately house, Der Landesvater en als laatste het zeer bekende Gaudeamus Igitur.
[Muziekfragment]

Schubert: 1ste Symphonie

Schubert Franz Peter Schubert (31 januari 1797 – 19 november 1828) was een Oostenrijks componist. Hij werd geboren in Lichtenthal bij Wenen als zoon van een onderwijzer. Van de 14 kinderen bleven er vijf in leven waaronder Franz. Op zijn zevende begon hij met vioolles, en vanaf zijn 13e zijn composities bekend. De toenmalige hofkapelmeester en componist Antonio Salieri heeft hem geruime tijd - gratis - lesgegeven. Op 28 okt. 1813 voltooide hij zijn Erste Symphonie in D gr.t.
[Muziekfragment]

Schubert trouwde nooit, waarschijnlijk omdat de drang tot componeren te groot was. Tegen het einde van zijn leven maakte de lieflijke weemoed in zijn werk plaats voor een veel intensere emotie, zoals in Die Winterreise en Die schöne Müllerin.

Schubert overleed in 1828 op 31-jarige leeftijd in Wenen. Hij is vooral bekend door zijn liederen, die door veel componisten na hem zijn nagevolgd, onder anderen Hugo Wolf, Richard Strauss en Gustav Mahler. Deze laatste twee hebben de pianobegeleiding soms vervangen door een symfonieorkest, maar het genre, een bestaand gedicht dat op muziek is gezet, onveranderd gelaten.

Dvorak: Het gouden spinnewiel

Antonin Dvorak Antonin Dvorak werd geboren op 8 september 1841 in Nelahozeves in Bohemen, dat destijds bij Oostenrijk hoorde. Zijn vader was slager en herbergier, zijn moeder werkte op een nabijgelegen kasteel. Hij kreeg al op jonge leeftijd vioolles en leerde later nog de piano en het orgel te bespelen. Op voorspraak van Johannes Brahms kreeg Dvorak verscheidene muziekbeurzen toegewezen zodat hij zich volledig kon storten op het componeren.

Het werk van Dvorak is sterk beinvloed door de Tsjechische volksmuziek. Zijn drie Slavische rapsodieën en zijn zestien Slavische dansen zijn daar voorbeelden van. Naast het componeren had Dvorak twee andere grote passies, namelijk locomotieven en het duivenmelken.

Zijn laatste symfonie, nr. 9 in E klein Uit de Nieuwe Wereld, schreef hij tijdens een verblijf in de VS. Dit werd zijn populairste werk. Ook zijn zevende en achtste symfonie worden nog veel uitgevoerd. Een ander bekend werk van Dvorak is het Celloconcert in B mineur dat hij in 1895 schreef. Naast orkestwerk schreef Dvorak ook koormuziek (Stabat Mater, Requiem) en opera's, waarvan Rusalka de bekendste werd. Antonin Dvorak overleed in Praag op 62 jarige leeftijd.

Het gouden spinnewiel

De koning en Donetska Een zeer mooi werk, dat ons zeker aan Assepoester en Sneeuwwitje doet denken. Het werk brengt een duidelijk verhaal naar voren. Het begint allemaal in het bos. De koning is aan het jagen. Tijdens de jacht krijgt de koning dorst en stopt bij een hutje om water te vragen. Een mooi meisje, Donetska, zorgt voor water en gaat dan weer terug aan het werk. Ze werkt aan het spinnewiel.

Betoverd door haar schoonheid vraagt de koning om haar hand. Dit gaat nog niet, omdat de stiefmoeder en de stiefzuster van Donetska uit huis zijn. Zij komen de dag erna pas terug. Eerder kan de koning niet met Donetska trouwen. Daarom keert de koning de dag erna terug naar het hutje en bekend zijn liefde voor Donetska aan de stiefmoeder. Hij beveelt haar Donetska naar het kasteel te brengen.

De stiefmoeder gehoorzaamt en gaat met Donetska en haar dochter, die erg veel op Donetska lijkt, op weg. Eenmaal in het bos overvallen de moeder en haar dochter Donetska en vermoorden haar. Haar lichaam laten ze achter in het bos, alleen een oog, handen en benen nemen ze mee.

Bij het kasteel aangekomen, verenigen de moeder en de dochter zich met de koning. De koning ziet het verschil met Donetska niet en trapt in de truc. Hij wil het huwelijk meteen laten voltrekken.

Na zeven dagen feest gevierd te hebben, kondigt de koning aan dat hij ten strijde moet trekken. In de tijd dat hij er niet is moet de dochter gaan spinnen. Zo veel als ze maar kan.

Ondertussen wordt het dode lichaam van Donetska in het bos gevonden door een oude man. Hij wil een gouden spinnewiel ruilen voor de benen van Donetska. De slechte dochter, die nu koningin is, gaat hier op in. Ze is alleen maar uit op de gouden goederen. De man ruilt nog twee keer. Hij vraagt hierin de handen en het oog van Donetska. Ook hierop gaat de koningin in.

Gelukkig beschikt de oude man over een middeltje dat de ledematen van Donetska weer aan elkaar vast kan maken. Ook haar ogen kan hij weer levend maken. Dit middeltje gebruikt hij meteen.

Ondertussen keert de prins terug van de strijd en vraagt naar zijn vrouw. Zijn blik valt meteen op het gouden spinnenwiel en de andere gouden zaken. Plotseling begint het gouden spinnewiel te zingen en in de zang komt de daad van de stiefdochter en haar moeder aan het licht.

Kort daarna worden de moordenaars, de moeder en haar dochter, naar het bos afgevoerd en door de wolven verslonden. De koning rijdt verder het bos in en vindt Donetska terug, die weer levend is dankzij het geheime drankje van de oude man. De liefde vlamt meteen op en ze trouwen diezelfde dag nog.
[Muziekfragment]